Eerste stappen in de psychiatrie

Oral history is een sjieke naam voor wat ik dagelijks doe: mensen interviewen. Als onderdeel van mijn studie geschiedenis aan de VU mocht ik Josèff Iping, hoofd Training en Ontwikkeling bij de Amsterdamse ggz-instelling Arkin, ondervragen over zijn rijke werkverleden in de psychiatrie. Uit al zijn verhalen koos ik als onderwerp voor dit blog zijn eerste stappen in het vak.

Het was 1968. Als vrijgevochten Amsterdamse jongen van 18 besloot ik de opleiding tot verpleegkundige te gaan volgen in het Psychiatrisch Ziekenhuis Santpoort. Daar was het een andere wereld. We moesten er verplicht intern wonen: de jongens in het broederhuis, de meisjes in het zusterhuis. Op de eerste dag werd iedereen gebracht door ouders en grootouders, met de verplicht voorgeschreven uitzet van zoveel onderbroeken en zoveel hemden. Ik kwam alleen, met mijn tasje. Ik stelde meteen aan de orde dat ik liever in Amsterdam bleef wonen. Maar dat kon absoluut niet. 

In mijn kamertje stond een eenpersoonsbed. Er was een bureaublad onder het raam vastgemaakt en er waren twee kasten. Een kast voor je kleding, in de andere zat een fonteintje om je aan te wassen. Op de gang waren douches en een keuken. Het leek wel een soort kostschool. We aten in ploegen en als je niet op kwam dagen, werd dat genoteerd. We moesten een uniform dragen: de jongens een soort slagersjasje met een verplichte broek, de meisjes een schort en een muts. We werden zelfs elke week gewogen. 

Er waren ontzettend veel regels. Je kamer werd regelmatig gecontroleerd, en zelfs je wasgoed. Je moest op tijd binnen zijn anders kreeg je straf, je mocht geen bezoek van het andere geslacht op de kamer hebben anders werd je op staande voet ontslagen. Daar vond ik snel oplossingen voor. Als ik voor elven binnen moest zijn, klom ik daarna weer over het hek om terug naar een feestje te gaan. En ik had snel door wanneer de portiers hun rondes liepen. Dus als ik bij een dame was, vertrok ik om zes uur uit haar kamer, zodat ik de ronde van half zeven voor was. 

De eerste drie maanden hadden we fulltime les. Daarna ging ik werken op de afdeling Wieringerland. Ik werkte tien uur en drie kwartier per dag, met een middag per week cursus. De120 patiënten van de afdeling sliepen op zes slaapzolders. Als het tijd was om op te staan moesten we ze allemaal zo snel mogelijk naar beneden werken. De mensen moesten zich bij een fonteintje wassen. Naast hen stond dan mijn collega met een kam. Hij kamde hup! het haar bij iedereen in twee slagen naar achteren, en dan was het hup! naar beneden. 

De verzorging was armoedig. Er was weinig goede voeding en we moesten vaak eten maken van restjes. Het oude brood van de vorige dag werd bijvoorbeeld met griesmeel vermengd voor pap. ’s Avonds warmde ik het warme eten van tussen de middag op voor drie mensen die buiten de deur werkten. Ik wist helemaal niet hoe dat moest, dus ik gooide overal maar water bij. Het contrast met de verpleging voor patiënten uit hogere kringen was enorm. Die hadden prachtige kamers op de afdeling Gooiland waar ze particulier werden verpleegd. Alleen de hoofdzuster had met hen contact. Wij mochten ons daar absoluut niet mee bemoeien. 

Tijdens de avonddiensten zat ik met één collega en alle 120 bewoners in de zitzaal - opnamepatiënten, chronische patiënten, verstandelijk gehandicapten, alles doorelkaar. De kunst was die de hele avond rustig te houden. Daarvoor kreeg je drie pakken shag en twee flessen van een rustgevende drank. Iets te doen was er voor de mensen niet, de deur zat op slot. Voor ons bestond de avond uit steeds gaan kijken bij mensen die onrustig werden. En de koffieronde, waarvoor we de koffie van die ochtend voor de derde keer opwarmden. Meer konden we met z’n tweeën niet doen. Om een uur of negen ging iedereen naar bed. Dan waren we nog een uur bezig met schoonmaken. 

We kregen eigenlijk veel te veel verantwoordelijkheid voor de patiënten, terwijl we tegelijkertijd zo kort gehouden werden. In mijn derde opleidingsjaar was ik al leidinggevende in de opnamekliniek. Daar kreeg ik vaak heftige situaties op mijn bord. En dat terwijl ik in de eerste weken van mijn opleiding nog naar het hoofd was gegaan om te zeggen dat ik me had vergist en afscheid wilde nemen. Met mijn reddersfantasieën was ik hard aangelopen tegen de rauwe dagelijkse werkelijkheid van de psychiatrie. Die vrouw werd heel boos. ‘Ben je nou helemaal gek? Je gaat het vak maar leren! Terug naar je afdeling en tien strafuren!’ 

Zo ben ik behouden voor de psychiatrie. Na de opleiding verpleegkunde studeerde ik verder: maatschappelijk werk, psychologie, orthopedagogiek, psychotherapie. Nu, 43 jaar later, werk ik nog steeds bij de Amsterdamse instelling waarin Santpoort later is opgegaan.”

Reacties

lnWihFmGbsm

Call me wind beuasce I am absolutely blown away.

De niet zo mondige mensch

Mooie geschiedenis. Ondanks de verhalen over de jaren zestig waren de meeste mensen toch niet zo mondig en opstandig blijkbaar. Volwassen mensen die als kinderen behandeld werden ‘Ben je nou helemaal gek? Je gaat het vak maar leren! Terug naar je afdeling en tien strafuren!’ Lijkt haast iets uit een vorige eeuw... oh ja het is de vorige eeuw natuurlijk.

Nieuwe reactie inzenden

Uw mailadres verschijnt niet op de website en wordt alleen gebruikt om u eventueel te antwoorden.
Door gebruik van dit formulier accepteert u Mollom's privacybeleid.